21. OURS BRUN

In de natuur is de beer is solitair dier. Hij is van nature speels en bang en wordt slechts zelden agressief.
In de herfst verzamelt de beer voedzame voedingsmiddelen, zoals gedroogde vruchten: eikels, hazelnoten en beukennootjes zodat hij een vetlaagje kan aanleggen. Dit doet dienst als voedingsreserve tijdens zijn winterslaap van december tot april.
Tijdens die rustperiode, acht maanden na het paren, trekt de beer zich terug in zijn hol. Het embryo dat in de herfst werd bevrucht, blijft in rusttoestand tot eind november, en ontwikkelt zich dan tot in januari. Bij de geboorte hebben de jongen geen vacht en wegen ze ongeveer 300 gram.
2. GEWONE ZEEHOND

De gewone zeehond komt het vaakst voor in Europa. Net als de oorrob en de walrus behoort hij tot de zeeroofdieren, met als typische eigenschap hun vinnen.
Hij onderscheidt zich echter van deze 2 andere families door zijn voorpoten met 5 tenen en uitgesproken klauwen.
Tijdens het duiken komt er geen water in zijn longen terecht omdat zijn neusgaten automatisch sluiten en slechts kunnen worden geopend als hij daar een spierinspanning voor doet. Hij moet dan ook regelmatig boven water komen om adem te halen. Wanneer hij in het water zit, ziet hij heel goed, maar buiten het water is hij bijziend en kan hij alleen bewegingen onderscheiden.
3. OEHOE

De sterke gebogen bek en poten met zwarte klauwen zijn typisch voor deze roofvogel.
De oehoe hoort bijzonder goed, heeft een uitstekend zicht en vliegt zonder geluid te maken. Hij verlaat zijn hol tegen het vallen van de avond om op zoek te gaan naar voedsel.
Hij kan jagen op prooien zo groot als een vos. Overdag verbergt hij zich in een holle rots of aan de voet van een struik om wat in te dommelen, maar blijft altijd op zijn hoede.
4. KERKUIL

De kerkuil is eenvoudig te herkennen aan zijn hartvormige sluier en grote doordringende zwarte ogen. Met zijn dunne, gebogen grijze bek verscheurt hij zijn voedsel.
Hij eet zijn prooi volledig op. Het haar en de andere niet-verteerbare delen spuwt hij weer uit: dit zijn de zogenoemde braakballen die je wel eens bij zijn eet- en slaapplaats vindt.
De kerkuil is een nacht- en sedentair dier. Hij leeft alleen en brengt zijn dagen op een rustige plek door (schuur, zolder of klokkentoren).
5. WINTERTALING

De taling is de kleinste eend van Europa. Ze duikt niet: het is een ‘sparteleend’.
’s Nachts gaat ze op zoek naar voedsel in ondiep water. Het vrouwtje is altijd donkerder dan het mannetje zodat ze opgaat in de plantengroei tijdens het broeden. Zo kan ze zich beschermen tegen roofdieren.
5. KROONEEND

De krooneend heeft een grote, oranjegele kop, een rode bek en witte flanken.
Het vrouwtje onderscheidt zich duidelijk van het mannetje: het is kleiner en de zijkanten van haar kop en nek zijn donkerbruin.
De krooneend voedt zich terwijl ze met haar kop onder water naar eten zoekt en ’s ochtends vroeg of ’s avonds laat een duik neemt. Overdag rust ze uit op het water.
5. BERGEEND

De bergeend is een eend die overdag leeft. Ze bouwt haar nest op de grond, in uithollingen, vaak oude konijnenholen.
Ze leeft in kolonie en verplaatst zich altijd aan de oppervlakte, in een rechte lijn achter haar soortgenoten. Tijdens de voortplantingsperiode herkent men het mannetje gemakkelijk aan zijn rode bek, waarboven een knobbeltje uitsteekt. Na de geboorte van de jongen laten de ouders het nest achter en worden alle kleintjes toevertrouwd aan het toezicht van twee volwassenen.
Bijna alle nesten bevinden zich immers op dezelfde plaats, en de bergeend heeft dan ook een eigen crècheformule ontwikkeld.
5. ROZE FLAMINGO

Flamingo komt van het Latijnse Flaminus wat ‘vuurvogel’ betekent. Zijn roze kleur is afkomstig van de carotenoïde die ook in de garnaal en bepaalde algen terug te vinden is.
De roze flamingo is aanwezig in het hele Middellandse Zeegebied, en hij gaat in kolonie broeden in de Camargue en in Spanje. Hij bouwt zijn nest op een heuveltje van gedroogde modder, op de top waarvan hij een putje graaft waarin hij zijn ei legt.
In de herfst migreert hij naar het zuiden van Spanje en zelfs naar Noord-Afrika, waar hij de winter doorbrengt. In maart komt hij terug.
6. ZWARTE IBIS

De bek van de ibis is lang, smal en neerwaarts gekromd. Hij woelt ermee in de modder op zoek naar voedsel.
De ibis broedt in kolonies en maakt zijn nest van takjes en riet.
De ibis is al lange tijd bekend in Egypte, waar men talloze illustraties van hem terugvindt in Egyptische bas-reliëfs.
7. WILD KONIJN

Klein zoogdier dat overal leeft waar het voedsel vindt en een bodem die diep genoeg is om zijn woning te graven: een leger.
Wanneer het konijn bang is, stampt het met zijn poot op de grond om zijn soortgenoten te verwittigen. Hij brengt overigens het grootste deel van de dag onder de grond door en komt bij de avondschemering voorzichtig naar buiten om eventuele roofvijanden te mijden.
Zijn voornaamste eigenschap is dat hij ‘s ochtends zachte keuteltjes legt die hij opnieuw opeet om er zoveel mogelijk voedingsstoffen uit te halen.
1. ZILVERMEEUW

De zilvermeeuw is groter dan zijn neef de meeuw. Het is een dagvogel die zich aansluit bij zijn soortgenoten om te eten, te slapen en zelfs te broeden.
Zijn gekrijs komt boven het geraas van de golven uit. De zilvermeeuw heeft in onze streken weinig roofvijanden, behalve de zeemeeuw en de raaf. Zijn demografische uitbreiding is opmerkelijk aangezien hij zich aangepast heeft aan menselijke voedingsmiddelen (visserij- of huishoudelijk afval).
Deze opportunist trekt zich dan ook steeds vaker terug in de stad om te broeden.
1. GROTE AALSCHOLVER

De grote aalscholver zit vaak met uitgespreide vleugels op een rots of een tak in de zon om op te drogen na een duik.
Hij kan tot 9 m duiken en tot 60 seconden onder water blijven.
In tegenstelling tot andere vogels heeft hij geen klier waarmee hij zijn veren met vet kan insmeren om ze waterdicht te maken.
1. KROESKOPPELIKAAN

De kroeskoppelikaan is een zoet- of zoutwatervogel. Tijdens het vliegen trekt hij zijn kop in tussen zijn schouders.
Zijn grote bek en buidel gebruikt hij als net om vis te vangen. De pelikaan is vooral aanwezig in Zuidoost-Europa, waar hij ook gaat broeden.
Er werden enkele exemplaren opgemerkt in Frankrijk, zowel in het noorden als in de Var en de Vaucluse.
De pelikaan staat op de lijst van het Europees Kweekprogramma in dierentuinen, teneinde de soort te beschermen en ze in de toekomst weer in een natuurlijk milieu los te kunnen laten.
8. KOEREIGER

Zijn veren zijn witachtig met lange rossige veren op de kop, de borst en de rug. Hij heeft een gedrongen lichaam, dikke nek, korte vleugels en korte staart.
Voor zijn voedsel is hij, in tegenstelling tot andere diersoorten, niet gebonden aan een watermilieu, maar aan de aanwezigheid van veeteelt, die insecten aantrekt.
De koereiger is een nacht- en kuddedier, dat gedeeltelijk migreert, afhankelijk van de klimaatomstandigheden en voedingsmogelijkheden (aanwezigheid van kudden).
9. EUROPESE BEVER

De bever is het grootste Europese knaagdier. Hij is een kampioen in het duiken, en kan 15 minuten onder water blijven.
Hij brengt de dag rustig door in zijn hol. ’s Avonds glijdt deze onvermoeibare werker rustig in het water waar hij op zoek gaat naar water en aan zijn woning werkt.
Hij bouwt indrukwekkende dammen, vervaardigd van taken, boomstammen, stenen en zand, die tientallen meter lang kunnen worden.
8. NACHTREIGER

De nachtreiger is eenvoudig te herkennen aan zijn lange kuif die bestaat uit 2 of 3 fijne witte pluimen die op zijn nek vallen.
Hij is vrij discreet en vist terwijl hij op de loer staat of zich langzaam door ondiep water verplaatst.
10. EUROPESE OTTER

De otter is een uitstekend zwemmer: zijn oren en neusgaten gaan tijdens het duiken automatisch dicht. De otter is dermate goed aangepast aan het water dat hij, wanneer hij zich erin begeeft, minder lawaai maakt dan een kikker.
Hij bakent zijn territorium af door hier en daar te urineren en zijn drek (uitwerpselen) goed zichtbaar op de rotsen te leggen.
De otter woont in reeds bestaande holen, waar hij een laag gras op de grond legt, en die ook dienstdoen als woonplaats voor zijn jongen. Hierbij kiest hij heel slim voor plaatsen die niet onder water kunnen lopen.
De otter is een uitstekend jager, die 3 tot 10 km kan afleggen om voedsel te vinden.
11. POITOU-EZEL

Dit is het grootste ezelras. Met zijn dichte, zwarte vacht lijkt hij op een groot knuffeldier. Hij is afkomstig uit de streek rond Poitou, waaraan hij zijn naam te danken heeft.
Hij wordt doorgaans ingezet voor het vervoer van goederen en personen over steile hellingen, en moet vaak meer dan zijn gewicht dragen.
Hij is verre van lui en heeft een moedig, intelligent en meegaand karakter.
11. KAMEROEN SCHAAP

Al 10.000 jaar lang wordt het Kameroen-schaap voornamelijk gefokt voor zijn vlees. Het werd vaak gebruikt als offerdier.
Het schaap heeft een vrij wantrouwig karakter maar is speels en kan behendig springen. Het wordt gefokt in de weide en is dan ook sterk en heeft een goede weerstand.
Wist u dat het Kameroen-schaap geen wol heeft? Het moet de winter in de schaapskooi doorbrengen omdat het zo’n dunne vacht heeft die het elk jaar in de lente verliest.
11. PONY

De pony is een klein paard, minder zenuwachtig, maar wel uiterst sterk. Hij wordt vaak gebruikt om jonge kinderen te leren paardrijden.
Vroeger werd hij gebruikt voor licht werk en vervoer. Vandaag wordt hij, afhankelijk van het ras, vooral gebruikt voor ontspanningsactiviteiten.
14. DWERGGEIT

De dwerggeit, een huisdier, houdt van gezelschap. Net als andere geitsoorten ruit ze elk jaar in de lente. Typisch voor de dwerggeit is haar grijsachtige wintervacht.
Ze past zich aan alle milieus aan, op voorwaarde dat ze er kan grazen.
Wist u dat de dwerggeit vanaf de leeftijd van 18 maanden 500 tot 1000 liter melk per jaar geeft, wat drie keer meer melk is dan de koe in verhouding tot zijn gewicht?
12. FRET

De fret is een nachtdier en de tamme versie van de bunzing. Hij bestaat al ongeveer 2000 jaar en werd voornamelijk gebruikt om wilde konijnen en ratten te verjagen. De jagers stuurden ze de konijnenholen in, waar ze de konijnen verjoegen die naar de uitgang vluchtten en daar gevangen werden genomen.
De fret is uitgegroeid tot gezelschapsdier. Hij ruit twee keer per jaar en zijn gewicht kan tot 40% variëren, afhankelijk of het zomer of winter is. In de winter wordt zijn lichaam bedekt met een laagje vet en is zijn pels veel dikker en langer. Hij heeft indrukwekkende hoektanden die van hem een geducht roofdier maken.
Dit bijzonder nieuwsgierige en onvermoeibaar speelse dier is bijzonder geliefd. Net als de bunzing knort hij wanneer hij bang of tevreden is, fluit scherp en verspreidt een misselijkmakende geur, voortbracht door zijn anaalklieren.
13. TAM KONIJN

Lange tijd werd het tamme konijn uitsluitend gekweekt voor zijn vlees en pels.
Vandaag is het vooral geliefd als gezelschapsdier. Dankzij zijn zachte en grappige aard past hij zich goed aan het gezinsleven aan.
Er bestaan verschillende rassen met uiteenlopende kleuren en vormen. Hij kan hangende oren hebben, zoals het hangoorkonijn, lange haren, zoals het angorakonijn, kleine afmetingen, zoals het dwergkonijn, of bijzonder groot zijn, zoals de Vlaamse reus.
15. GENETKAT

Deze typisch Afrikaanse diersoort arriveerde een aantal eeuwen geleden in Europa. Zijn gevlekte pels is de ideale camouflage voor dit roofdier dat zich niet gemakkelijk laat observeren.
De genetkat is solitair, bijzonder discreet en leeft overwegend ‘s nachts. Ze is bijzonder behendig en klimt probleemloos in bomen.
Ze trekt zich soms terug in een hol, en wanneer de gelegenheid zich voordoet, zelfs in schuren en op zolders.
16. EIKELMUIS

De eikelmuis heeft een zwarte band rond de ogen en oren, wat haar een typisch masker verleent.
Dit nachtdier is een uitstekend bergbeklimmer maar verplaatst zich vooral over de grond. De eikelmuis is bijzonder sociaal en leeft in kolonies. Ze brengt de dag slapend door in een nest van bladeren en mos, waarvan de binnenkant is bekleed met haren en veren. Ze is niet veeleisend wat haar woonplaats betreft en voelt zich even goed thuis in een holle boom als op de zolder van een huis.
Vóór haar winterslaap wordt ze heel dik zodat ze genoeg reserves heeft voor de winter. De eikelmuis houdt een diepe winterslaap van september tot april-mei, in een groep van 2 tot 27 soortgenoten.
17. TORENVALK

De valk is een roofvogel die overdag jaagt terwijl hij op de loer staat op een paal, een kabel of zwevend in de lucht. Hij zweeft in cirkels en glijdt soepel door de lucht. Hij vermijdt grote bosrijke gebieden, en geeft de voorkeur aan open terreinen. Hij bouwt zijn nest vaak in de stad.
De valk komt overal in Europa voor, behalve in IJsland. In gematigde streken is hij sedentair, maar in Noord-Europa emigreert hij naar het zuiden, zelfs tot in Noord-Afrika, waar de temperaturen zachter zijn en hij voedsel vindt. We hebben het dan over gedeeltelijke migratie.
18. ROSSE WOELMUIS

De rosse woelmuis leeft vooral in het bos. Ze onderscheidt zich van de rat door haar kortere staart en rondere snuit.
Ze graaft met haar tanden een hol dat uit verschillende gangen en ruimtes bestaat. Deze doen dienst als kamer voor de voortplanting en als provisiekamer.
De rosse woelmuis weegt slechts 30 g en kan ongeveer 1 kg voedsel in haar hol bewaren. Ze is bijzonder snel en beweeglijk en kan zowel overdag als ’s nachts boomstammen en takken beklimmen.
18. HAMSTER

De hamster is bijzonder handig met zijn voorpoten. Hij gebruikt ze om er zijn wangzakken mee te vullen waarin hij zijn voedsel vervoert. Hij kan in zijn hol tot 15 kg voedsel opslaan.
Van oktober tot april houdt hij een winterslaap. Hij ligt dan opgerold in een bolletje en zijn hart slaat nog slechts 14 tot 15 keer per minuut. Van mei tot september komt hij alleen buiten als het donker is.
19. CORSICAANSE MOEFLON

De moeflon is de wilde voorouder van het tamme schaap. De mannetjes van deze soort zijn rammen en bezitten twee spiraalvormige hoorns. De vrouwtjes hebben dan weer kleine, achterwaarts gerichte hoorns, of helemaal geen hoorns.
Ze leven in kudde, samen met hun jongen, en zoeken de mannetjes slechts op tijdens de paarperiode. Op dat moment leveren de mannetjes woeste gevechten met hun hoorns voor de gunst van de vrouwtjes.
20. EUROPESE LYNX

De lynx is een sterke katachtige met een gevlekte vacht en korte staart. Hij is gemakkelijk te herkennen aan de pluimpjes aan zijn oren. Het is de grootste van de 4 bestaande lynxsoorten.
Hij is een uitstekend klimmer en vlucht een boom in wanneer hij zich bedreigd voelt.
Dit teruggetrokken dier is zowel ‘s nachts als overdag een uitstekend jager die probleemloos lange afstanden aflegt indien hij met een voedseltekort kampt. Hij is in staat om een prooi te doden die 3 tot 4 keer groter is dan hijzelf, zoals een hert bijvoorbeeld.
22. ALPENSTEENBOK

De steenbok kan sprongen van 7 meter maken, en zijn hoeven zijn perfect aangepast aan de rotsen, waardoor hij uitstekend kan klimmen.
Zijn hoorns kunnen wel een meter lang worden. ‘s Winters stoppen ze met groeien en in de lente groeien ze voort, een pauze die het spoor van een ring achterlaat waaruit zijn leeftijd enigszins kan worden afgeleid.
22. VALE GIER

De vale gier is eenvoudig te herkennen aan zijn sterke kromme bek en kraagje met witte-crèmekleurige veren rond zijn nek. De vale gier is een dagvogel en broedt in kolonies op de rotsen van de Zuid-Europese bergmassieven.
Zodra de jonge gieren gespeend zijn, worden ze gedeeltelijk trekvogels die zich, afhankelijk van de klimaatomstandigheden, tot in Noord-Afrika verplaatsen. Vergiftigde lokazen, bestemd voor wolven, hebben al talloze gieren gedood. Door de verdwijning van de herderseconomie en de transhumance werden de voedingsmogelijkheden van deze diersoort sterk beperkt: de volwassen dieren kunnen nog wel overleven, maar niet hun jongen, want die kunnen ze niet meer voeden.
Sommige landen bouwen voederplaatsen uit: plaatsen waar kadavers van o.m. schapen en geiten kunnen worden achtergelaten (dit is bijvoorbeeld het geval in Spanje) om het voortbestaan van de vale gier veilig te stellen.
23. OOIEVAAR

De ooievaar bouwt een nest van takjes, gras en aarde, dat een diameter van anderhalve meter kan hebben. Hij deinst er niet voor terug zich in hoge, dode bomen of in openbare gebouwen te vestigen, en dan vooral in de schoorsteen. Hij keert elk jaar weer naar zijn nest terug.
Deze trekvogel vliegt elk jaar in augustus naar Afrika en keert in mei weer terug om zich voort te planten.
24. HALSBANDPEKARI

De pekari lijkt op een klein everzwijn, maar in tegenstelling tot deze laatste zijn de hoektanden die uit zijn muil steken recht en niet gekromd om zich te verdedigen.
Typisch is de band van witachtig haar rond zijn nek.
Wist u dat de pekari slangen kan eten en immuun is voor hun vergif? Hij kan ook twee weken zonder te drinken.
25. GEWOON PENSEELAAPJE

In tegenstelling tot andere Zuid-Amerikaanse apen met nagels heeft het penseelaapje klauwen. Deze kan hij goed gebruiken om het sap uit de boomschors te halen.
Deze bijzonder snelle en behendige aap leeft in de bomen en springt van tak tot tak.
Hij leeft in groep, samen met een tiental soortgenoten, en bakent zijn territorium af door middel van gekrijs dat niet hoorbaar is voor de mens en een afscheiding die wordt geproduceerd door de grote klieren in zijn nek.
26. ARA

De ara kan probleemloos een notendop breken met één enkele snavelbeet.
Zijn poten zijn uitgerust met twee voorwaarts gerichte en twee achterwaarts gerichte tenen die een uitstekende grip bieden. Ook zijn dikke, gebogen snavel is bijzonder sterk.
16. ZEVENSLAPER

Dit nachtdier is een uitstekend bergbeklimmer en springt ook bijzonder goed. Hij kan luidruchtig zijn en brengt schrille kreten voort.
Hij brengt de dag slapend door in een nest van bladeren, mos en gedroogd gras. Hij is niet veeleisend wat zijn woonplaats betreft en voelt zich even goed thuis in een holle boom als op de zolder van een huis. Hij komt pas buiten bij het vallen van de nacht.
Vóór zijn winterslaap wordt hij heel dik zodat hij genoeg reserves heeft voor de winter. Van oktober tot april houdt hij een diepe winterslaap en wordt alleen wakker om de voorraad die hij tijdens de zomer heeft verzameld op te knabbelen.
11. ROVE-GEIT

De Rôve-geit werd in de oudheid uit Griekenland ingevoerd door handelsschepen. De herder gebruikt ze om de schapen tijdens de seizoenstrek te leiden.
Van de melk van deze geit wordt kaas gemaakt, die bijzonder populair is. Deze geit is bijzonder sterk, kan overleven in de sneeuw en lange periodes van droogte doorstaan.
Ze draagt de naam van een plaats waar heel wat van haar soortgenoten zich hebben gevestigd: de Rôve-vallei in de buurt van Marseille.
10. RODE EEKHOORN

De eekhoorn is het meest geliefde knaagdier. Hij verplaatst zich met sprongen en gebruikt zijn pluimstaart als balanceerstok en zelfs als parachute om uit bomen te springen.
Hij bouwt verschillende nesten, bekleed met gedroogd gras en mos. Hij is bijzonder actief en heeft verschillende vaste gewoontes: zijn ochtendtoilet is heel uitgebreid en hij volgt altijd dezelfde weg wanneer hij door de bomen springt.
